WAT HEEFT HET LEVEN VAN STRUISVOGELKUIKENS VOOR ZIN?

De aanloop tot de lunch hadden ze droog gehouden: slechts twee korenwijntjes. Onderwijl pikten ze een paar groene olijfjes. Aansluitend een venkelsoepje. Het zag er niet naar uit dat dit bescheiden bacchanaal zou ontaarden in een serieus gesprek over de zin van het bestaan.

Drie pensionado’s. Kenden elkaar uit de studietijd, nog steeds bevriend. Ze dronken een kloosterbiertje naast een Cardiol Supérieure, die goed matchte met de parelhoen en de salade van walnoten, chièvre en bietenblad die volgden. Als bodem nuttigden ze in aarde gebakken Armeens brood.

“Perfect parelhoentje, dit”, meende Patrick.
“Onovertroffen”, beaamde Diederick.
Alderick deed er het zwijgen toe. De eigen keuken hoort men niet te roemen.

Na de lunch begaven ze zich naar de leeskamer en strekten zich loom uit in ligstoelen. Estevana bracht koffie en cognac. “Perfect kontje”’, aldus Patrick. “Onovertroffen”, beaamde Diederick. Op eigen personeel dient men niet te pochen, dus Alderick onthield zich van commentaar. Bovendien kende hij dat kontje maar al te goed, maar dat wisten zijn vrienden niet.
“Dit is het ware leven”, verzuchtte Diederick.
“Ja”, zei Patrick, “soms snap je niet dat er nog mensen twijfelen aan de zin van het bestaan. Nu bijvoorbeeld.”


Alderick lachte. “Hedonist! Ja, het leven kan prettig zijn, maar laten we voor de verandering het aangename nu eens met enige diepgang verenigen en discussiëren over de zin van het bestaan. Fokke Obbema heeft daar net een tweede boek over gepubliceerd. Ik heb geen zin die boeken te gaan lezen, ik ben bang dat het zweverige flauwekul is, maar misschien kunnen jullie me op andere gedachten brengen. Vooralsnog geloof ik niet dat het bestaan enige zin heeft. Help me alsjeblieft uit die droom. Proost!”
Diederick had er wel oren naar. “Graag. Ik sta er anders in, sinds ik kinderen heb heeft het leven voor mij enorm veel zin. En nu met al die kleinkinderen wordt dat alleen maar meer. We hebben er al acht,“ verklaarde hij trots.

Alderick: “Dat hoor je vaker, maar het is of ik een struisvogel hoor zeggen dat de zin van zijn bestaan het leggen van eieren is. Wat heeft het leven van de struisvogelkuikens die uit die eieren klimmen voor zin? Moeten die dan ook weer eieren leggen? Op die manier houdt het nooit op. Dat kan ik geen zingeving noemen. Het doet me denken aan die vent in dat boek van Fokke Obbema die beweert dat de enige zin van het bestaan je voortplanten is. Dat vind ik niet en ik ben ervaringsdeskundige, want ik heb zes kinderen. Niets ten nadele van mijn kinderen, maar als daar je heil van afhangt….”

Patrick: “Ik begrijp Diederick heel goed, want ik heb zelf ook kleinkinderen en geniet daar enorm van. Toch heeft Alderick gelijk, als de zin van je leven bestaat uit het doorgeven van leven dan stuit je in filosofische zin op een tautologie. Als er al iets bestaat als de zin van het leven moet je dat buiten het leven zoeken.” Bij het uitspreken van deze woorden raakte hij ontroerd van zijn eigen diepzinnigheid. ‘Hij zuchtte van de filosofie’, noemde Thomas Roosenboom dat in zijn roman De nieuwe man.
Diederick: “Buiten het leven? Waar denk je dan aan? Ik kan me er niets bij voorstellen. Doel je op iets transcendentaals, bijvoorbeeld dat je er alles aan doet om het koninkrijk Gods te beërven of iets dergelijks? Daar zie ik nou weer niks in.”

Alderick: “Mee eens. Ook in die zin ben ik nihilist. Maar ik heb wel geprobeerd een zinvolle invulling aan mijn leven te geven door me praktisch nuttig te maken. Ik heb geprobeerd het leed van anderen te verzachten. Ik ben chirurg geworden om anderen beter te maken of het leven te redden. Dat was een doel in míjn bestaan, wat weer iets anders is dan de zin van hèt bestaan. Toch lijkt me dat niet onzinnig. Is het dan zinnig? Is het verzachten van leed, het veraangenamen of het rekken van het bestaan van anderen misschien zinnig? Nu ik er wat dieper over nadenk lijkt me dat toch wel. Of zit dat ook bij je tautologie in?” Hij keek Patrick aan.

Patrick: “Jazeker. Het is niet onzinnig, maar het is zingeving binnen je bestaan. Niet het bestaan als zodanig krijgt daarmee zin. Als een schilder een schilderij maakt kan het voor hem zin hebben om daar nog wat extra kleur aan toe te voegen als dat het schilderij mooier maakt. Maar wat is de zin van dat schilderij? Dat schilderij heeft geen enkele zin.”
Alderick: “Zeker wel. Het verfraait het bestaan, misschien maakt het schilderij het bestaan zelfs begrijpelijker, begrijpen we het door dat schilderij wat beter.”

Diederick: “Ja, en dankzij de loodgieter en de dakdekker houden we het thuis droog. En dankzij de wijnboer zitten we hier aan een goede cognac. Zoveel ambachten, zoveel zinnen, kun je zeggen. ‘Dat ik op de wereld ben om heen en weer te gaan’, zong Drs. P al. Maar met de zin van het bestaan heeft het weinig van doen. Sorry Alderick, maar jij met je dure Tesla, je speedboot, je etentjes, je fijne wijnen hebt weinig weg van zuster Theresa. Je beroep was nuttig, misschien zelfs een roeping, daar wil ik niets op afdingen, maar het is er op uitgedraaid dat je hier met je luie reet in een ligstoel hangt, twee scheidingen achter de rug, zes kinderen en als ik me niet vergis 12 kleinkinderen. Hoe zinvol is dàt?”

Alderick verdedigde zich niet. Kostbare uren van zijn leven had hij in benauwende beschermende kleding boven zieke lichamen gestaan om zijn ingrepen te doen. De verantwoordelijkheid had zwaar op hem gedrukt. De paar keren dat een patiënt overleed door een verkeerde inschatting zijnerzijds had hij ‘s nachts in bed liggen woelen of zich bedronken. Die Tesla Model S – 100D had hij eigenlijk wel verdiend, vond hij.

Diederick, die zijn werkende leven aan de accountancy had vergooid, dramde door: “Je stemt VVD, is het niet Alderick? Was dat niet de partij die niets doet tegen de opwarming van de aarde? Hoe moet dat straks met je kleinkinderen? Moeten die verzuipen, verbranden, worden afgeslacht door hier naar toe vluchtende hordes? Volgens mij had je ook een kaartje voor die stinkende racerij op Zandvoort. Wat blijft er over van dat zinvolle bestaan van jou?”.

Alderick liet zich niet provoceren. “De wereld vergaat ook wel zonder mij,” grinnikte hij. “Laatst was ik bij een clubje dat discussieerde over hoe we de mensheid moeten redden van de klimaatcrisis. Een filosoof hield daar een inleiding waarin hij allerlei open deuren intrapte over samenwerking en optimisme waarmee we het toch nog zouden klaarspelen. Ik vroeg hem toen wat het uitmaakt of de mensheid over pakweg 100 jaar vergaat of over een miljoen jaar. Vergaan zullen we immers toch? Het leek me de hamvraag voor een filosoof, en ook voor ons hier. Maar de vraag werd niet gewaardeerd, er werd bozig op gereageerd.”

Patrick: “Wat was zijn antwoord?”
Alderick: “Dat wij mensen zoveel moois hebben gepresteerd dat het zonde zou zijn dat te verspelen.”

Patrick: “Een filosoof van de koude grond dus. Jongens, laten we hier over ophouden, dit is een zinloze discussie. Iets voor pubers.” Patrick kon het weten, hij was psycholoog. Hij vervolgde: “Onze vrienden de dieren planten zich voort zonder te weten dat ze om die reden neuken. Zo verging dat onze voorvaderen in de oertijd ook. Ze hadden zin zonder de zin ervan in te zien. Niks zingeving, maar innerlijke drang of dwang. Instinct. Schopenhauer zou het denk ik als een aspect van de wereldwil duiden. Die drang hebben wij ook, maar tegenwoordig willen we de gevolgen ervan doorgaans verijdelen. Wel de lusten, niet de lasten. Zinnelijk is niet meteen ook zinvol. Laten we vaststellen dat het leven geen zin heeft, dat het mooi is als je een goed gevoel krijgt bij je kinderen of kleinkinderen, of als je nuttig en behulpzaam bent voor anderen. Die dingen mag je best de zin van JOUW bestaan noemen, maar niet van HET BESTAAN. Laten we van ons bestaan genieten zonder dit oeverloze geouwehoer.”

Ze weten niet wat ze doen…

Diederick: ”Dat doet me denken aan Leo X. Die zei: God heeft ons het pausschap gegeven, laat ons ervan genieten. Wie zijn wij om het beter te weten dan een paus? Laat ons de Here Here getverdehere op onze blote knietjes danken dat hij ons Alderick heeft geschonken, en Alderick ons zijn fijne wijnen en cognac.” Hij hief zijn glas. “Proost”.
“Cheers”, zei Alderick, en bedankt voor de fijne discussie. Die boeken van Obbema hoef ik niet meer te lezen, ik weet genoeg.”

Spijt van ouderschap
Een op de vijf ouders was bij nader inzien liever kinderloos gebleven, zo blijkt uit onderzoek. Dr. Agatha Wiegman-Luienbroecks, hoogleraar procreatie en zingeving aan de universiteit van Ukkel, heeft daar studie naar gedaan. “Kinderen grootbrengen is zwaar en veeleisend, lang niet alle ouders zijn ertegen opgewassen. Het zou helpen als ze hierover tegenover hun kinderen open kaart zouden spelen, zodat die niet in dezelfde valkuil vallen. Maar dat doen ze niet, want niemand wil zijn kinderen met schuldgevoelens opschepen of zijn onmacht toegeven.”
Maar er zijn toch ook dolgelukkige ouders?
“Gelukkig wel. Dat is ook zo’n twintig procent van de mamma’s en de pappa’s. Zij hoeven tegenover hun kinderen niet over hun geluk uit te weiden, maar doen dat meestal wel. Het is slecht geregeld in de wereld.”

4 reacties

Naar het reactie formulier

    • Menno Samplonius op 24 oktober 2021 om 13:27
    • Reageer

    De aan aids gestorven schrijver Frans Kellendonk schreef in één van zijn korte verhalen: “Je leeft en je leeft en dan, op een dag, word je dood wakker”.

    • Sjoerd op 22 oktober 2021 om 13:06
    • Reageer

    Piter ik vind je groots en meeslepend .

    • Bas Verwey op 22 oktober 2021 om 11:15
    • Reageer

    Goed bezig Piter, ik neem er nog eentje en luister intussen met jou en je studievrienden naar

    https://www.youtube.com/watch?v=zlkdjWIKPvk

    (die Ukkelse hoogleraar moet je er toch maar op wijzen dat het ‘uitweiden’ is; iemand die zulke koeien van taalfouten maakt is ongeschikt om op te voeden)

    reactie Zijzee: Die arme professor kon het ook niet helpen dat de haar citerende journalist niet kan spellen. De man heeft het snel gecorrigeerd om haar niet onnodig langer in een kwaad daglicht te stellen.

    • Dirk Dragstra op 22 oktober 2021 om 10:44
    • Reageer

    En dat allemaal op een vrijdagochtend in de herfst. Kopje koffie erbij, Schopenhauer uit de kast, ‘De wereld als wil en voorstelling’. Tja, welk citaat te kiezen? Uiteindelijk valt mijn keus vandaag op Deel 2, pagina 724, in de prachtige vertaling van Hans Driessen.

    ‘… op deze wereld, dit strijdtoneel van gekwelde en angstige wezens, die slechts kunnen bestaan doordat de een de ander opeet, waar elk roofdier het levende graf is van duizend andere dieren en zijn zelfbehoud een keten van marteldoden vormt (….) op deze wereld heeft men het systeem van het optimisme willen toepassen en men heeft willen bewijzen dat ze de beste van alle mogelijke werelden is. De absurditeit is schrijnend. – En dan wil zo’n optimist me de ogen openen en me laten zien hoe mooi de wereld wel niet is, een en al zonneschijn met haar bergen, dalen, rivieren, planten, dieren enzovoort Maar is de wereld dan soms een kijkkast? Om te zien zijn deze dingen inderdaad mooi, maar ze te zijn dat is heel iets anders. – En dan heb je nog de teleoloog, die mij warm wil laten lopen voor het wijze bestel dat er toch maar voor zorgt dat de planeten niet met de koppen tegen elkaar knallen, dat land en zee zich niet met elkaar vermengen tot een grote modderpoel, maar netjes van elkaar gescheiden blijven, dat niet alles vanwege een bestendige vorst verstart, of door de hitte wordt geroosterd en dat er ten gevolge van de helling van de ecliptica geen eeuwige lente heerst, waarin niets tot rijpheid zou kunnen komen enzovoorts. (…) Men heeft geklaagd over het melancholieke en troosteloze karakter van mijn filosofie. Toch ligt dat enkel hieraan dat ik, in plaats van te fantaseren over een toekomstige hel als equivalent van onze zonden, heb bewezen dat wereld, waar toch de schuld ligt, ook al iets weg heeft van een hel. Wie dat wil loochenen, zal dat gauw genoeg aan den lijve ondervinden’.

    Met solidaire groet uit hetzelfde schuitje, bouwjaar1844.

Laat een reactie achter aan Bas Verwey Reactie annuleren

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.